De stabielste oplossing is elk LEDje een eigen weerstand en de voedingsspanning zo hoog mogelijk.
Over de weerstand valt nu de meeste spanning.
Op die manier krijg je de meest constante stroom.
Voorbeeld:
Voedingsspanning 12V, weerstandje 1000 Ohm, LED 2V
Er loopt nu een stroom van 10mA
Door bepaalde oorzaak wordt de voedingsspanning 24V
Nu loopt er een stroom van 22mA
Dat kan het LEDje gemakkelijk aan.
Nu gaan we 5 LEDjes met een drempelspanning van elk 2V in serie zetten.
Er valt dus 10V over de LEDs.
Over de voorschakelweerstand valt nu maar 2V.
De voorschakelweerstand wordt nu een stuk kleiner want we willen weer een stroom van 10mA. We nemen dus een weerstandje van 200 Ohm.
Dus:
Voedingsspanning 12V, weerstandje 200 Ohm, LEDs 10V
Er loopt nu weer een stroom van 10mA
Door bepaalde oorzaak wordt de voedingsspanning weer 24V.
Over de weerstand staat nu 14V en nu loopt er een stroom van 70mA
Dat vinden de LEDjes minder leuk en ze leefden dan ook niet nog lang en gelukkig.
Omdat het hier niet zo nauw luistert, kun je gerust enkele LEDjes in serie zetten met één voorschakelweerstandje.
De voedingsspanning is immers vrij stabiel.
Hoeveel LEDs hang af van hun doorlaatspanning en de hoogte van de voedingsspanning.
Gebruik je bv LEDjes met een drempelspanning van 3,3V, dan kun je niet meer dan 3 in serie schakelen en zo blijft er nog 2V voor het weerstandje over. Dat weerstandje kan dan ca 100 Ohm zijn.
Groene LEDjes met een drempelspanning van 2V daar kun je wel 4 van in serie zetten.
Het weerstandje kan dan 220 Ohm zijn. |